De ogen van Sultan schitterend abrupt toen hij de woorden van de kleine merrie hoorde. Al snel knikte hij, een grote glimlach speelde met zijn fluweelzachte lippen en met een vriendelijke, warme blik priemde hij zijn ogen in de hare. Bedenkelijk keek hij richting de horizon, zuchtte tevreden en liet zijn blik vervolgens weer op Mees vallen. ''Aangenaam Mees. Mijn naam is by the way Sultan, maar volgensmij was dat wel duidelijk.'' begon de grote, gespierde en zwarte hengst. Zijn oren waren naar voren gepunt en nog steeds schitterde zijn ogen door de gouden stralen, afkomstig van de grote, gouden bol aan de horizon. ''Je bent natuurlijk van harte welkom in de kudde, maar onthoud wel dat er een legende is waar je je aan hoort te houden. Wij, de Dénali, geloven in de verbinding tussen uilen en manen. Je kan het opvatten als een soort geloof, waardoor we elke maand met volle maan naar een speciale plek gaan.'' Legde hij de merrie vervolgens uit. Het was belangrijk dat de nieuwe leden dit wisten, want Sultan wilde dat ze begrepen wat hun te wachten stond. Ook Mees zou erin moeten geloven als ze lid wilde worden van de kudde, want daar bestond hun kudde nou eenmaal uit.
''Als je eventueel nog vragen hebt; stel ze. Ik wil graag dat ook de nieuwe leden weten wat de legende nou precies inhoud.'' en met die woorden sloot Sultan zijn preek af. Met een lichte grijns rond zijn lippen wachtte hij de reactie van Mees af, het nieuwste lid van de Dénali.