Schuimend kwamen de golven uiteindelijk aan, en kropen direct weer achteruit, waarna er weer een nieuwe schuimende golf het strand betrad. De zoute zeelucht was een sterke geur, en enkele witte vogels cirkelden rond boven het zoute water. Ze krijsten steeds maar weer door, en het golvende water kroop steeds verder het strand op. Door het water waren ook enkele stukken hout, netten en andere rommel bij het strand gekomen, en achtergebleven toen het eb werd. Op het moment kwam het water steeds dichterbij de bomen die uiteindelijk als een groep bij elkaar stonden. Het was dus water, strand en bos. En op het strand, bevond de chocoladebruine hengst zich.
De brede hals van de hengst was licht in een krul gevormd, zijn donkerbruine ogen gleden over het zand, het water, en vooral naar de bomen. Je wist nooit wat er zomaar tevoorschijn kon komen tussen alle planten vandaan. Roofdieren konden zich makkelijk tussen het struikgewas verstoppen, en als het er op aan kwam zijn prooi dat op het strand slenterde bespringen. En dan had het prooidier geen schijn van kans meer. Het zou keihard moeten rennen, en roofdieren waren iets beter in sprinten. Je had dan wel een kans, als je het dier een rake klap op zijn kop kon geven, zou je veilig ertussenuit kunnen komen, maar hoe vaak gaf je een roofdier een fatale klap. Eén op de tien. En dus, daar had de chocoladebruine hengst totáál geen zin in. Dus beter opletten, was het halve werk.
De donker gekleurde hoeven van de hengst zakten ver in het lichte, opstuivende zand weg. De sporen die hij achter liet waren ook erg zichtbaar, en al een heel spoor van waar hij vandaan kwam was in het zand af te lezen. De sterke geur van het strand was niet iets wat zijn neusvleugels streelde. De geur van vis was dan ook zeker niet zijn favoriet. Hij opende en sloot zijn mond enkele keren, wat een zacht smakkend geluid produceerde. En vervolgens verliet een diepe zucht zijn neusgaten. Hij strekte zijn hals naar het zand, en snoof er een paar keer aan met zijn koperkleurige snoet, waardoor het zand licht opstoof. Ook onder zijn hoeven werd het zand omhoog geworpen, waardoor als je nat was, het vreselijk op je buik en benen bleef zitten plakken. En dat kietelde. Als je bijvoorbeeld heel erg zweette, en het water in was gerend, en daarna lekker in het zand was gaan rollen, dan was het zand altijd erg prettig. Het maakte je weer droog, warm, en het viel er meestal vanzelf wel weer af, waardoor je ook nog eens schoon werd. Dan was zand fijn op je vacht, maar normaal gesproken. Liever niet, vond deze hengst.
Tussen zijn donkerbruine benen waren dus ook meerdere zandkorrels tussen zijn vacht komen nestelen, dat ook kietelde. Het streelde zijn huis niet. De minuscule kubussen rolden heen en weer over zijn fel, en dat kietelde, en prikte soms ook wel eens. Maar op het moment deerde het hem niet. Hij kreeg het er toch niet uit, en als hij het eruit kreeg, wat dan nog? Het kwam er toch weer binnen no time in. Zijn benen waren donker tot zijn knieën, en daar was dan weer zijn basiskleur te vinden. Chocolade bruin. Opnieuw opende en sloot hij zijn mond. En weer kwam het smakkende geluid aanzetten. Het was een soort 'tikje' van hem geworden. Dit deed hij erg vaak, en kwam er ook niet zo snel weer van af. Maar waarom zou hij het tegenhouden als het een kenmerk van hem was? Niet nodig. Hij zwiepte zijn donkerbruine staart, die bijna zwart leek, en liet deze tegen zijn flank aan kletsen. Hij zuchtte eens, en draaide zijn oren eens rond om nog andere geluiden op te merken, behalve dat vreselijk irritante gekrijs van de meeuwen.
Zijn oren werden onmiddellijk gespitst bij een vrolijk gekrijs. Zijn hoofd kantelde iets, en de chocoladebruine, fijne oortjes van de hengst waren naar voren gedrukt. De puntjes en de randjes van de oren waren ook weer donkerbruin. Hij schudde eens met zijn kop, en verruimde zijn stappassen. Opnieuw zwiepte hij met zijn donkerbruine staart. Hij was benieuwd waarvan het vrolijke gekrijs was. Blijkbaar wel van een ander paard, en daarna klonk er nog meer vrolijk stemgeluid dat over het strand heen kwam zetten. En bij het zien van twee stipjes aan de horizon werd hij er zeker van. Het waren twee paarden. Hij zette de gang er nog wat meer in, maar draven deed hij niet. Zijn passen waren erg ruim geworden, en bij elke stap bracht hij een stuk meer afstand af dan eerst, wat ook in zijn spoor was te zien. De gaten waar hij zijn hoeven had neergezet waren nu verder van elkaar af. Hij kantelde zijn hoofd een stukje. De paarden werden steeds duidelijker, de ene was wit, en de andere meer grijs. Hij toverde een vriendelijke glimlach op zijn gezicht, zijn mondhoeken werden omhoog gekruld. Hij wierp zijn brede hals weer in een krul. Lichtjes, niet te overdreven. Nog een keer zwiepte hij met zijn staart. En liet deze vervolgens bij elke stap die hij verzette, weer tegen zijn achterbenen aan tikken.
De paarden waren nu zeer dichtbij. Zijn oren waren naar voren gericht, en bleef toen halt staan bij de twee paarden. En hij zag in een oogopslag dat het IJslanders waren. Ook zet er veel IJslands bloed in zijn aderen, maar hij was iets groter dan een normale IJslander, en hij kon niet telgangen. Wél kon hij de tölt, wat hij zelden deed. Draven vond hij fijner, en waarom. Dat kon ook niemand verklaren. Ze ene had gewoon zijn voorkeur aan iets anders. Hij keek de twee paarden even aan. Het was een merrie en een hengst. Ze leken ongelooflijk vrolijk. Zelf keek hij erg vriendelijk naar de twee.
'Sorry dat ik stoor, maar mag ik vragen waarom jullie zo enthousiast zijn?' vroeg de hengst vriendelijk aan het tweetal. Een warme ondertoon ondersteunde zijn stem, en als je luisterde kon je de charme erin ook horen.
~ TADAA. Het ging wel lekker volgens mij.
Ik had toestemming hier te posten hoor.