Brede, grote hoeven plonsden ongeremd in de modderzooi, zakten een end weg en werden er vervolgens met een slurpend geluid weer uitgetrokken, alleen om het volgende riedeltje weer te herhalen. Zijn ravenzwarte manen wuifden mee met zijn passen en verhulden littekens op zijn brede, gespierde nek, die licht gekromd was. Salvedir was bijzonder groot en gespierd voor zijn ras, zijn schofthoogte evenaarde zelfs die van sommige grotere koudbloeden. Hij stampte ongestoord door de blub en schudde wild, ongecontroleerd met zijn hoofd. Zijn smaragdgroene ogen flitsten, waren rusteloos, verborgen withete woede en kokende haatgevoelens, maar tegelijkertijd een tweestrijd die nog steeds voort leek te razen in zijn binnenste, sinds de ontmoeting met de witte merrie die hem had laten voelen zoals hij zich nooit van zijn leven gevoeld had. Woedend, verward, en tegelijkertijd dat fijne, zijn zintuigen prikkelende gevoel, de elektrische tintelingen die door hem heen geschoten waren wanneer ze zijn huid aanraakte. Maar hij begon direct tegen dat gevoel te vechten, wilde er niet aan toe geven. Hoe lang zou zijn grote lichaam het nog vol kunnen houden, alle emoties die hij in zijn leven al gekend had, en die nog komen moesten? Littekens liepen over zijn roodbruine vacht, enkele wonden waren juist begonnen met helen en er vormde een korst op. Maar die littekens, die open wonden waren niets in vergelijking met de mentale wonden die hij met zich meedroeg, de geestelijke littekens die in hem gekerfd waren.
Maar hij was sterk. Fysiek en mentaal. En hij liet niemand, maar dan ook níemand over hem domineren. Zijn karakter en toestand was zo wispelturig en veranderlijk als het weer, hij kon in één klap omslaan. Hij grauwde plotseling vanuit het niets en bokte snel en dodelijk tegen een halfvermolmde boom aan, die nu het onderspit delfde en ter aarde stortte, om vervolgens te blijven liggen om verder weg te rotten en uiteindelijk in een bruine drab te veranderen die zich samenvoegde met de modder en het vochtige spul. Oftewel; Het moeras.
Zijn flesgroene ogen schoten naar een figuur voor hem. Op dit punt was het te riskant om van het pad af te gaan, je kon veel te snel wegzakken in de verraderlijke modder. Nu was dit voor de gespierde, krachtige Sal niet zo’n heel groot punt; Als je snel handelde had je jezelf er zo weer uitgetrokken. Maar hij kon zich best voorstellen dat een klein veulentje hier zo wegzakte. De roodbruine hengst stapte kordaat door, zijn groene ogen boorden zich in die van de zwarte merrie. Zijn hele houding, zijn hele manier van doen en blik zond stille waarschuwingen uit, waarschuwingen dat ze maar beter opzij kon stappen om hem langs te laten en dan stilletjes en vlug te verdwijnen. Waarschuwingen die niet ontvangen werden. Sals oren werden plat in zijn nek gelegd en hij ontblootte op enkele meters afstand zijn tanden. Dit was de zichtbare waarschuwing nummer 1. Eerst vragen, een kans geven om weg te gaan, plaats te maken. "Hallo, je weet toch wel dat je mijn pad versperd." Sals ogen spuwden vuur. Hij deed geen moeite om voor dit merrietje emoties te verhullen, ze mocht best weten dat dit dus even niet door kon gaan. Dit groentje dacht hem even de baas te zijn? Verkeerde gok gemaakt. “Hallo, je weet toch wel dat het slecht afloopt met merries zoals jij?” Gromde hij, en stapte vlot en standvastig als een rots op haar af, zonder ook maar een centimeter te wijken. Voor ze het door had knauwde hij fel en hard met zijn tanden in haar schouder, vervolgens zette hij toen hij langs liep zijn lichaamsgewicht in de strijd en duwde haar met gemak de diepere modder in, van het pad af. Nog één keer proberen en ze kon het echt krijgen, daar kon ze van op aan. Hij trapte nog een keer met zijn achterbeen naar achteren, hopend dat hij haar raakte maar niet echt mikkend. Het was meer om aan te geven dat ze haar afstand moest bewaren.